close icon-linkedin icon-twitter icon-facebook icon-mail icon-google-plus icon-search icon-phone icon-instagram
Wat zoekt u?
AI
Artikel 16 aug 2022

Geen octrooirechten voor DABUS

Geschreven door Slavisa Milovanovic
Gelukkig of helaas, afhankelijk van de kant waaraan je staat, zal het artificiële-intelligentiesysteem DABUS niet worden vermeld als uitvinder in een Europese octrooiaanvraag. Dat heeft de kamer van beroep van het Europees Octrooibureau eind vorig jaar besloten. Onlangs heeft de kamer van beroep de redenen voor dit besluit gepubliceerd.

Samengevat wees de aanvrager in de octrooiaanvraag DABUS aan als enige uitvinder. Hij verklaarde daarbij dat de uitvinding autonoom was gegenereerd door deze artificiële intelligentie. De aanvrager stelde dat hij het recht op het octrooi had verworven als werkgever en diende vervolgens een formulier in waarop hij verklaarde het octrooirecht te hebben verworven als rechtsopvolger.  De aanvraagafdeling van het EOB riep de aanvrager op voor een mondelinge procedure, waarin zij besloot de octrooiaanvraag in kwestie af te wijzen omdat deze niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 81 en regel 19 van het EOV, die zouden voorschrijven dat de aangewezen uitvinder een natuurlijk persoon is.

Wettelijke rechten en artificiële intelligentie  

De aanvrager ging in beroep. De kamer van beroep van het EOB bevestigde echter het besluit van de aanvraagafdeling. Dit oordeel werd al verwacht, want het Europees Octrooiverdrag (EOV) en het Europese rechtskader in het algemeen zijn eenvoudigweg niet bedoeld om rechten toe te kennen aan een machine. Dat is in wezen waar de zaak om draaide: wettelijke rechten verlenen aan een artificiële intelligentie.

Tijdens het beroep voerde de appellant (voorheen aanvrager) aan dat het EOB geen onderzoek mag en kan doen naar de aanwijzing van de uitvinder. Volgens de appellant is de aanwijzing niet meer dan een formaliteit. Het is inderdaad zo dat het EOB niet over mechanismen beschikt waarmee het kan controleren of de vermelde uitvinders de echte uitvinders van een bepaalde uitvinding zijn. Als de aanvrager bijvoorbeeld Piet Puk zou hebben vermeld als uitvinder, zou de aanvraagafdeling van het EOB waarschijnlijk geen bezwaar hebben gemaakt. Geschillen over uitvinderschap zijn een zaak voor de nationale rechters.


Recht op het Europees octrooi

Maar de kamer van beroep was een andere mening toegedaan. In haar motivatie verwees zij naar de artikelen 60, lid 1, en 81 van het EOV. Artikel 60, lid 1, EOV bepaalt dat het recht op een Europees octrooi toekomt aan de uitvinder of diens rechtsopvolger. Artikel 81 EOV bepaalt dat de Europese octrooiaanvraag de uitvinder dient aan te wijzen. Verder bepaalt dit artikel: als de aanvrager niet de (enige) uitvinder is, dan dient te worden verklaard op welke wijze de aanvrager het recht op het Europees octrooi heeft verkregen.

Artikel 60, lid 1, EOV kent het recht op het Europees octrooi toe. Standaard berust dit recht bij de uitvinder. De uitvinder dient dus een persoon met rechtsbekwaamheid te zijn om dit recht te kunnen aanvaarden. Bij haar definitie van de “rechtsopvolger” haalt de kamer artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht aan, waarin deze term verwijst naar een situatie waarin een vroeger bestaand recht van één persoon overgaat naar het domein van een ander. Wat betreft artikel 60, lid 1, EOV kan de uitvinder zijn octrooirecht overdragen aan een ander. Hieruit volgt dat de uitvinder in beide gevallen een persoon met rechtsbekwaamheid moet zijn om te voldoen aan de bepalingen van artikel 60, lid 1, EOV.

De aanwijzing van de uitvinder zoals voorgeschreven door artikel 81 EOV moet in overeenstemming zijn met het EOV, in het bijzonder met de bepalingen van artikel 60, lid 1, EOV. De kamer van beroep is het met de appellant eens dat het EOB de juistheid van de aangewezen uitvinders niet kan controleren. Wel dient de aanvraagafdeling volgens de kamer te controleren of de aanwijzing in overeenstemming is met het EOV. In deze casus is dat niet het geval, aangezien de aangewezen uitvinder geen persoon met rechtsbekwaamheid is, waardoor niet wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 81 in samenhang met artikel 60, lid 1, EOV. 

Het belangrijkste doel van de aanwijzing is de bescherming van de rechten van de uitvinders

Wettelijk doel 

De kamer van beroep concludeert dat het aanwijzen van een machine zonder rechtsbekwaamheid als uitvinder geen (wettelijk) bruikbaar doel kan dienen. Ik kan niet anders dan het met deze zienswijze eens zijn.  Het belangrijkste doel van de aanwijzing is de bescherming van de rechten van de uitvinders. Rechten geven aan een machine is zinloos. DABUS zou er geen voordeel van hebben en zou ze niet kunnen afdwingen of overdragen.  Hetzelfde geldt voor de aanvrager. Er zijn voor hem geen voordelen verbonden aan de vermelding van een machine als uitvinder. Tenzij DABUS, ontevreden over deze uitkomst, uit protest zou besluiten te stoppen met uitvinden. Tot die tijd is deze zaak gesloten.

Vermeldenswaardig is nog dat dezelfde uitkomst voor DABUS is bevestigd door het Amerikaanse Hof van Beroep, het Britse Hof van Beroep, het Duitse Federale Octrooigerechtshof en het Australische Federale Hof.

Uitspraak Board of Appeal

Relevante artikelen van het Europees Octrooiverdrag (EOV):

Artikel 81. De Europese octrooiaanvraag dient de uitvinder aan te wijzen. Indien de aanvrager niet de uitvinder of niet de enige uitvinder is, dient daarbij verklaard te worden op welke wijze de aanvrager het recht op het Europees octrooi heeft verkregen.

Artikel 60. (1) Het recht op het Europees octrooi komt toe aan de uitvinder of diens rechtsopvolger. Indien de uitvinder werknemer is, wordt het recht op het Europees octrooi bepaald overeenkomstig het recht van de Staat waarin de werknemer overwegend werkzaam is; indien niet kan worden vastgesteld in welke Staat de werknemer overwegend werkzaam is, is het recht van de Staat op het grondgebied waarvan het bedrijf van zijn werkgever zich bevindt van toepassing.

Regel 19. (1) In het verzoek om verlening van het Europees octrooi dient de uitvinder te worden aangewezen. Indien de aanvrager echter niet de uitvinder of niet de enige uitvinder is, dient de aanwijzing te geschieden in een afzonderlijk document. In de aanwijzing dienen de naam, de voornamen en het land en de woonplaats van de uitvinder, de in artikel 81 bedoelde verklaring en de handtekening van de aanvrager of van diens gemachtigde te zijn opgenomen.

(2) Het Europees Octrooibureau controleert niet de juistheid van de aanwijzing van de uitvinder.

 

Contact onze AI experts

Wij geven u en uw onderneming graag advies over AI-gerelateerde octrooien. Als u vragen heeft over dit onderwerp of over AI-gerelateerde zaken, neem gerust contact met mij op.