close icon-linkedin icon-twitter icon-facebook icon-mail icon-google-plus icon-search icon-phone icon-instagram
Wat zoekt u?
price increase
Artikel 17 apr 2026

Ontbeert de termijn voor de verklaring een rechtsgrond?

T 0553/25: Er bestaat geen rechtsgrond om te eisen dat een verklaring van gerechtigdheid voor een verlaagd beroepstarief wordt ingediend binnen de termijn voor het betalen van de beroepstaks.

In T 0553/25, de Kamer stelde vast dat er

geen rechtsgrond in het EPC bestaat om een verklaring van gerechtigdheid te vereisen als voorwaarde voor het betalen van het verlaagde beroepstarief.

De zaak ontstond toen de Onderzoeksafdeling (ED) een appellant (A) ten onrechte meedeelde dat een verklaring vereist was, wat leidde tot een onnodig verzoek om herstel van rechten.

Achtergrond

A, een natuurlijke persoon, diende een beroepschrift in en betaalde het verlaagde beroepstarief zoals voorzien in RFees 2(1), item 11 en Art. 108 EPC. De Onderzoeksafdeling (ED) deelde A mee dat een verklaring van gerechtigdheid vereist was volgens de Mededeling van het EOB van 18 december 2017 (Mededeling), en dat het niet indienen van een dergelijke verklaring ertoe zou leiden dat het beroep als niet-ontvankelijk werd beschouwd. Dit bracht A ertoe op 11 februari 2025 een verzoek tot herstel van rechten in te dienen met betrekking tot de termijn voor het betalen van de beroepstaks, waarna de ED de zaak naar de Kamer verwees. A diende vervolgens op 7 april 2025 de gronden van het beroep in.

De redenering van de Kamer

De Kamer oordeelde dat de Mededeling een formele vereiste invoert voor de geldige betaling van de beroepstaks zonder enige rechtsgrond in het EPC, en merkte op dat het Bureau over geen enkele bepaling beschikt die het de bevoegdheid geeft om dergelijke regels vast te stellen. RFees 2(1), item 11 definieert enkel wie in aanmerking komt voor het verlaagde tarief door te verwijzen naar Rule 7a(2)(a) to (d) EPC, maar verwijst niet naar Rule 7b(1) EPC, die in een andere context eisen inzake verklaringen vastlegt.

 

De Kamer legde uit dat Rule 7b EPC uitsluitend van toepassing is op taksen voor octrooiaanvragen tot aan de verlening en niet geldt voor de betaling van het verlaagde beroepstarief. Hoewel een verklaring kan dienen als bewijs ter ondersteuning van de betaling van het verlaagde tarief, heeft het Bureau niet de bevoegdheid om te bepalen welk bewijs de Kamers moeten aanvaarden, en al helemaal niet om dergelijk bewijs te beperken tot een verklaring. 

 

De Kamer oordeelde dat de vereisten van Rule 7b(1) EPC niet naar analogie kunnen worden toegepast op de betaling van de verlaagde taksen krachtens Rule 7a(2)(a) to (d) EPC. 

 

De Kamer stelde vast dat A, als natuurlijke persoon in de zin van Rule 7a(2)(c) EPC, gerechtigd was het verlaagde tarief te betalen zonder dat nadere bewijsstukken vereist waren, en dat het beroep tijdig en rechtsgeldig was ingesteld.

Decision of the Board

De Kamer verklaarde het beroep ontvankelijk en stelde vast dat de appellant geen rechten had verloren. De Kamer gelastte terugbetaling van de taks voor herstel van rechten, aangezien deze zonder rechtsgrond was betaald. De Kamer verzocht de Onderzoeksafdeling om tussentijdse herziening te overwegen overeenkomstigArticle 109 EPC.

 

De Kamer benadrukte dat appellanten die in aanmerking komen voor verlaagde taksen op grond van Rule 7a(2)(a) to (d) EPC niet verplicht zijn om binnen de termijn van Art. 108 EPC, een verklaring van gerechtigdheid in te dienen, en dat de mededeling van het EOB die een dergelijke verklaring vereist geen rechtsgrond heeft.

 

Samenvatting opgesteld door het NLO EPO Case Law Team

Andere jurisprudentieartikelen: